Nederlands succes in Dow Jones Duurzaamheidsindex door globalisering minder vanzelfsprekend

September 11, 2007

Uit de publicatie van de nieuwe Dow Jones Sustainability World Index (DSJI) blijkt dat Nederlandse bedrijven het goed doen. 15 Nederlandse AEX-fondsen zijn opgenomen, waarvan Wolters Kluwer als nieuwkomer (stond al wel in de Stoxx). Maar liefst vier daarvan voeren hun sector aan (Akzo Nobel, TNT, Philips en Unilever). Er zijn drie redenen voor dit succes. Maar de concurrentie zal verder toenemen, niet in het minst omdat bedrijven uit de “emerging economies” zich zullen gaan opdringen.
Wat zijn de drie redenen voor het huidige succes van Nederlandse bedrijven? Ten eerste zijn veel Nederlandse multinationals al jaren bezig met het vormgeven van hun duurzaamheidsstrategie en de implementatie daarvan. Nederland is een open economie, met een kleine thuismarkt en een hoge mate van internationalisatie van bedrijven. Aandeelhouders zijn goeddeels niet Nederlands, net zoals een groot deel van werknemers en klanten. Onze multinationals beseffen daarom dat zij een goede antenne moeten hebben voor externe ontwikkelingen. Zij willen weten wat hun stakeholders bezighoudt; niet alleen nu, maar ook straks. Niet alleen in Nederland, maar overal in de wereld. Duurzaamheid helpt hen deze ambities waar te blijven maken in de globaliserende economie.
Verder zien we dat Nederlandse bedrijven hun duurzaamheidsambities steeds meer vertalen in marktgedreven innovaties. Men ziet kansen voor nieuwe product-marktcombinaties en zet daar actief op in. Zie bijvoorbeeld de “green flagships” van Philips, het CO2-bankieren van Fortis, diverse eco-efficiënte producten van DSM en Akzo Nobel. Het zwaartepunt van duurzaamheids initiatieven verschuift daarmee geleidelijk van het hoofdkantoor naar de business units. Het wordt steeds meer “business as usual”, tenminste op die gebieden waar de impact goed meetbaar is.
Het derde argument is dat Nederland een actieve “civil society” en overheid heeft. NGO’s hebben nooit geschroomd om te confronteren en de bedrijven zijn de dialoog aangegaan. De overheid heeft zich actief getoond op allerlei niveau’s. Denk aan de benchmark van Economische Zaken. Hier zijn best methodologische kanttekeningen bij te maken, maar het heeft zeker een bijdrage geleverd aan het bewustzijn en competitie op gebied van duurzaamheid. Ook het feit dat de Nederlandse overheid het Global Reporting Initiative naar ons land heeft gehaald, toont aan dat hoog wordt ingezet. Gezien recente uitspraken van bewindspersonen over het tot “exportproduct” verheffen van duurzaamheid, zal de aandacht niet verslappen.
Er is echter geen enkele reden voor “de NV Nederland” om op de lauweren te rusten. De DJSI wordt samengesteld op basis van relatieve duurzaamheidsprestaties. De lat ligt daardoor elk jaar hoger. Bovendien wordt de concurrentie steeds internationaler. Onder meer Australië, Duitsland, Frankrijk, Japan, Het Verenigd Koninkrijk en de USA zijn dominant aanwezig in de index. Ook in andere Westerse landen zit men niet stil en azen bedrijven op een groter stuk van de taart. Wat bovendien opvalt is dat bedrijven uit de “emerging economies” nog maar mondjesmaat zijn vertegenwoordigd. Slechts zeven Braziliaanse bedrijven, terwijl China, Rusland en India nog helemaal ontbreken. Duurzaamheid wordt daar steeds serieuzer genomen; dat is ook onvermijdelijk. Daarom lijkt het slechts een kwestie van tijd dat bedrijven uit die landen nadrukkelijker van zich zullen laten horen. Globalisering verandert ook dit speelveld en Nederlandse bedrijven moeten op hun tenen blijven lopen om voorlopers te blijven. Een goede zaak!

Share this article with :
share share share

Comments on this blog



There are no comments on this blog

Your comment



Name * :
E-mail :
Show my e-mail on the website
Message * :